Liquidatiereserve: FAQ

9 Sep 2015

Verschillende mensen hebben ons vragen gesteld over de werking en exacte interpretatie van de nieuwe liquidatiereserve die werd ingevoerd door de programmawet van 19 december 2014 (BS 29 december 2014). Het minste dat gezegd kan worden is dat de tekst op heel wat vlakken onvoldoende nauwkeurig is.

Hieronder vindt u een samenvatting van de meest gestelde vragen en de gegeven antwoorden.

1. Vraag

Is de aanvullende crisisbijdrage van 3 % van toepassing op de vervroegde aanslag van 10 %?

Antwoord: Neen. Aangezien de tekst van artikel 463bis WIB 1992 niet werd gewijzigd is de aanvullende crisisbijdrage niet van toepassing op de aanslag van 10 %.

2. Vraag

Moet men om geen roerende voorheffing verschuldigd te zijn op het gedeelte van de liquidatiebonus dat overeenstemt met die liquidatiereserve ten minste wachten tot vijf jaar na de vorming ervan?

Antwoord: Neen. De beperking van vijf jaar geldt alleen in gevallen waarin reserves worden uitgekeerd buiten een vereffeningsverrichting. Een vereffening die onmiddellijk zou volgen op de vorming van de reserve kan niettemin onder de toepassing van artikel 344, §1 WIB 1992 vallen (fiscaal misbruik – eenheid van opzet tussen twee rechtshandelingen).

3. Vraag

Welke reserves worden bij de uitkering van reserves als eerste uitgekeerd?

Antwoord: Zoals de tekst van artikel 184quater, 5de lid WIB 1992 bepaalt, worden de oudste reserves geacht eerst te worden uitgekeerd (meest gunstige regeling).

4. Vraag

Moeten er vormvoorwaarden worden nageleefd om de regeling toe te passen?

Antwoord: Bij de aangifte moet een formulier worden gevoegd. Dat formulier werd tot op vandaag nog niet opgesteld. Er wordt in elk geval aangeraden om ook de opgave 328 R van de reserves te bewaren om het verloop van die reserves te zien.

5. Vraag

Wat gebeurt er als een vennootschap die bij de vorming van de reserve kmo was bij de latere uitkering van de reserves of bij haar ontbinding een grote onderneming is geworden?

Antwoord: De overschakeling van het statuut van kmo naar dat van grote onderneming heeft geen invloed op de toepassing van de maatregel en de vennootschap zal recht hebben op dezelfde belastingvoordelen op het vlak van vermindering of vrijstelling van roerende voorheffing.

6. Vraag

Verliest de vennootschap door de uitkering van dividenden die afkomstig zijn van de liquidatiereserve het voordeel van het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting?

Antwoord: Ja. De wettekst zegt hier niets over. We moeten dus veronderstellen dat de klassieke regels van toepassing zijn en dat het verlaagd tarief van de vennootschapsbelasting niet langer van toepassing is in geval van een uitkering van reserves van meer dan 13 % van het gestort kapitaal.

7. Vraag

Is de vervroegde aanslag van 10 % aftrekbaar?

Antwoord: Neen. Artikel 198 WIB 1992 werd aangevuld om te verduidelijken dat die aanslag niet aftrekbaar is.

8. Vraag

Gaan de voordelen van deze nieuwe regeling verloren bij de overdracht van de aandelen of deelbewijzen?

Antwoord: Neen. Het voordeel van de verlaagde tarieven van de roerende voorheffing is niet gekoppeld aan de eigendom van de aandelen, maar alleen aan de naleving van de betaling van de vervroegde heffing en aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde.

9. Vraag

Hoe wordt de periode van vijf jaar waarin de reserves moeten worden behouden berekend?

Antwoord: De periode waarin de reserves moeten worden behouden gaat in vanaf de afsluitingsdatum van het belastbaar tijdperk waarin de liquidatiereserve werd aangelegd (d.w.z. het boekjaar waarvoor het bedrag van de te bestemmen winst wordt gedetailleerd in de rubriek ‘resultaatverwerking’). Het begrip te bestemmen winst (eindsaldo na belasting en overboeking naar de subrekeningen 689 en 789) stemt dus niet overeen met het begrip te bestemmen nettowinst van het boekjaar. Bijvoorbeeld: AV in mei 2021  roerende voorheffing van 5 % van toepassing op de uitkering van de liquidatiereserve als de vervroegde aanslag van 10 % werd betaald tijdens het aanslagjaar 2016 (balans op 31/12/2015).

10. Vraag

Kan deze maatregel worden gecombineerd met de fiscale gunstmaatregelen die voortvloeien uit de programmawet van 28 juni 2013 (verlaagd tarief van de roerende voorheffing bij toepassing van de overgangsmaatregel of in geval van inbreng in geld).

Antwoord: Ja. De twee maatregelen kunnen worden gecumuleerd.

Bron: IAB - Fiscale Radar